| Zeilen in theorie | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
4.1 Vaarregels
De derde belangrijke regel: als je op een meer
(dus niet in een kanaal of vaargeul) een motorboot (klein!) tegenkomt
en jij zit in een zeilboot, dan moet die motorboot wijken voor jou. Ook
een surfplank is een zeilboot waarvoor op een meer de motorboten moeten
wijken. Als je van je surfplank af valt, ben je geen klein schip meer
maar een (kleine) zwemmer.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Beide boten hebben het zeil aan dezelfde kant (beide SB of BB) staan: ze varen over dezelfde boeg. In dit geval moet het schip dat het andere schip aan lij van zich ziet uitwijken. Dus: loef wijkt voor lij of wie minder scherp vaart wijkt. Schip A ziet schip B aan lij van zichzelf; de regel is 'loef wijkt voor lij', A moet dus wijken. |
![]() |
| De schepen hebben het zeil niet aan dezelfde kant staan: ze varen over verschillende boegen. Het BPR zegt dan dat het schip dat het zeil over stuurboord heeft staan moet wijken. In beide situaties in figuur 2.3 moet A dus wijken voor B. |
![]() |
De laatste
soort boten die je kunt tegenkomen zijn ook de vermoeiendste, althans
voor de schipper: ze worden door spierkracht voortbewogen! Denk aan roeiboot,
kano, waterfiets etc. De regel is: spierkrachtschepen wijken voor (kleine)
zeilboten, maar: kleine motorboten moeten wijken voor de spierkrachtschepen.
Een kleine herhaling en goede raad:
We kijken nog even terug naar alle regels die we nu bekeken hebben:
1. Altijd geldt: goed zeemanschap.
2. Groot (20 m.) gaat voor klein.
3. Boten aan stuurboordkant gaan voor, als regel 2 niet geldt.
4. Kleine zeilboten gaan voor kleine motorboten, als regel 3 niet geldt.
5. Zeilboten onderling:
6. Zeilboten gaan voor spierboten en spierboten
gaan voor (kleine) motorboten.
Nog wat goede raad over het uitwijken zelf:
Kijk altijd goed om je heen en zorg dat je weet of er schepen in de buurt
zijn. Bedenk steeds ruim van te voren of je voor een schip moet wijken.
Als je moet wijken , doe dat dan lang voordat er gevaar ontstaat. Laat
de andere schepen altijd duidelijk zien wat je van plan bent. Zorg ervoor
dat je nooit een aanvaring maakt, want ook als eigenlijk de ander had
moeten wijken, moet jij toch ook alles doen om een aanvaring te vermijden!
4.1.3 Een paar vaarregels voor speciale
situaties
In het voorafgaande hebben we steeds gesproken over schepen die elkaar
tegenkomen, zonder precies te bekijken hoe ze elkaar tegenkomen. Op welke
koers varen die schepen precies?
De volgende situaties kunnen voorkomen:
Voor de laatste drie situaties gaan we de
vaarregels eens nader bekijken.
1. Recht op elkaar af: tegengestelde koersen.
In het algemeen is de regel: als twee kleine boten recht op elkaar af
varen moeten ze allebei naar stuurboord wijken. Maar er zijn enige uitzonderingen:
| De eerste: als het twee zeilboten zijn dan geldt de bekende regel: stuurboord wijkt voor bakboord. |
|
| De tweede uitzondering: als het een zeilboot en een motorboot zijn geldt de aloude regel: motor wijkt voor zeil. |
|
| De derde uitzondering raad je natuurlijk al: ook bij tegengestelde koersen geldt: spier wijkt voor zeil, en motor wijkt voor spier. |
|
2. Inhalen: oplopende koersen
Van oplopen en voorbijlopen spreken we als een boot een andere (schuin)
van achter nadert en voorbij vaart. Diegene die aan het inhalen is, moet
wijken.
| Er is geen uitzondering hierop: het geldt
dus ook tussen ongelijksoortige kleine schepen. Als je dus een waterfiets
oploopt met je zeilboot dan moet je wijken! In een kanaal kan een zeilboot wel eens hard gaan en een ander schip daardoor inhalen. De ingehaalde boot moet dan aan loef ruimte maken om de zeilboot erlangs te laten. Een verstandige regel... |
![]() |
![]() |
Hierna staan nog enkele situaties om zelf uit te zoeken wie voor wie moet wijken en waarom. Doe je best!

3. Regels bij afvaren en voor het uitvaren van havens etc.
Een aantal andere regels dat handelt over het in- en uitvaren van havens,
het afvaren van een steiger etc. is als volgt samen te vatten:
Alle schepen, die dergelijke manoeuvres maken (oversteken, ankeren, aanleggen,
havens in- of uitvaren, afvaren) moeten zoveel mogelijk wachten met die
manoeuvre tot de weg helemaal vrij is. Ze mogen dus niemand hinderen met
hun manoeuvre.
4.1.4 Lichten en geluidsseinen
Geluidsseinen: je kunt (en moet als dat nodig
is) met de toeter een aandachtssein geven. Dat doe je bijvoorbeeld als
je een brug geopend wilt hebben, of ook als je denkt dan een ander schip
een gevaarlijke koers vaart en jou dreigt aan te varen.
Een aandachtssein duurt ongeveer 4 seconden. Denk er wel om dat je alleen
seinen geeft als het echt nodig is. Ga dus niet zo maar in 't rond zitten
toeteren.
Bruglichten:
Tot slot: mocht je ooit eens 's nachts varen (hoewel het dan erg donker is) zorg er dan voor dat je een rondschijnend wit licht boven in je mast hebt hangen, bijvoorbeeld een stormlamp. Anders ben je voor andere schepen vrijwel onzichtbaar.
4.2 Overzicht zeiltermen
De volgende termen worden veel gebruikt bij het zeilen:
|
Stuurboord (SB) |
rechts, naar voren gezien |
|
Bakboord (BB) |
links, naar voren gezien |
|
Varen over SB of BB |
met het zeil over SB of BB |
|
Loef |
de kant waar de wind naar binnen komt |
|
Lij |
de kant waar de wind eruit gaat |
|
Hoger |
meer naar loef toe |
|
Lager |
meer naar lij toe |
|
Hogerwal |
wal waar de wind vandaan komt |
|
Lagerwal |
wal waar de wind naar toe waait |
|
Oploeven |
naar de wind toe draaien |
|
Afvallen |
van de wind af draaien |
|
Doorzetten |
een lijn, b.v. een fokkeval, heel strak zetten |
|
Vieren |
een lijn, b.v. een fokkeschoot, een stuk loslaten |
|
Killen |
klapperen van de voorkant van een zeil |
|
Hozen |
water uit de boot scheppen |
|
Water maken |
zo schuin varen dat de boot water binnen krijgt |
|
Binnen de wind |
nog verder dan voor de wind afgevallen zijn, d.w.z. een dreigende (klap)gijp |
|
Bovenwinds punt |
om daar te komen moet je een of meer malen overstag gaan |
|
Afmeren |
vastmaken van de boot aan de wal, steiger, palen e.d. met de bedoeling om de boot langere tijd te laten liggen |
|
Staand wand |
Alle stagen |
|
Lopend wand |
Alle vallen |
|
Tuigage |
Alle zeilen, schoten, harpsluitingen |
|
Rondhout |
Mast, wrikriem, roeiriemen, vlaggenstok, boegspriet, vaarboom |