Zeilen in theorie

 

4.1 Vaarregels
Opmerking vooraf: de vaarregels staan in het Binnenvaart Politie Reglement (BPR). Dit BPR is zeer uitgebreid en ingewikkeld. Om het voor de beginnend zeiler begrijpelijk te houden zijn in dit stuk enig vereenvoudigingen gebruikt. Bedenk dus dat het slechts een klein deel van het BPR is. Als je er meer van wilt weten raadpleeg dan het BPR zelf.



4.1.1 Goed zeemanschap
De belangrijkste regel uit het BPR is wel, dat je er altijd voor moet zorgen dat er geen aanvaringen gebeuren. Zelfs al heb je eigenlijk voorrang en al ben je verplicht om van de regels af te wijken als dat nodig is om een aanvaring te voorkomen, dan dien je dat te doen.
Als er toch een aanvaring plaatsvindt zijn vaak beide schepen schuldig: de één omdat hij kennelijk gevaarlijk gevaren heeft, de ander omdat hij, met goed zeemanschap, de aanvaring toch had moeten voorkomen.



4.1.2 Enige belangrijke vaarregels
Het is niet verwonderlijk dat het BPR voorschrijft dat kleine schepen (die zijn meestal voor hun plezier op het water) altijd moeten wijken voor grote schepen (die varen meestal om er geld mee te verdienen).

Het maakt geen verschil of die kleine schepen zeil- of motorboten zijn: grote boten gaan altijd voor. Dit is wel logisch ook, want grote schepen kunnen maar moeilijk draaien of stoppen en bovendien heeft de schipper vaak haast: hij verdient zijn boterham met varen en dus is tijd geld voor die schipper. Kleine schepen zijn vaak wendbaarder en kunnen dus goed uitwijken.

Het BPR trekt de grens tussen grote en kleine schepen bij een lengte van 20 meter. De meeste schepen van 20 meter en langer zijn wel beroepsvaartuigen, slechts enkele mensen varen voor hun plezier op zo iets groots. Uiteraard hebben die grote schepen onderling ook weer hun vaarregels, maar die zijn voor ons niet belangrijk.

De volgende belangrijke regel is: kleine schepen, die stuurboordwal varen (dus rechts) gaan voor. Dat geldt natuurlijk in kanalen en vaargeulen (met rode en groene boeien), want daar is tenminste een stuurboordkant.

In de figuur zie je drie kleine schepen in een vaargeul die met boeien is aangegeven.

De opkruisende zeilboot B moet wijken voor de kleine motorboot C en voor de zeilboot A. A en C varen stuurboordkant in de vaargeul. Overigens, de boeienrij had ook een wallenkant kunnen zijn, want in een vaart of kanaal geldt precies hetzelfde. Het is een heel mooie regel: als iedereen stuurboordkant houdt kom je tegenliggers helemaal niet eens tegen, net als op de fiets. Bovendien moeten alle schepen die op één of ander manier de vaargeul of het kanaal oversteken (opkruisen bijvoorbeeld) voor de stuurboord houdende schepen wijken. Houd dus als het even kan, rechts en doe niet zoals bootje D! In dit laatste geval kan alleen goed zeemanschap nog hier helpen.....!

De derde belangrijke regel: als je op een meer (dus niet in een kanaal of vaargeul) een motorboot (klein!) tegenkomt en jij zit in een zeilboot, dan moet die motorboot wijken voor jou. Ook een surfplank is een zeilboot waarvoor op een meer de motorboten moeten wijken. Als je van je surfplank af valt, ben je geen klein schip meer maar een (kleine) zwemmer. 

Natuurlijk kan het gebeuren dat je in je zeilboot een andere zeilboot tegenkomt. Dan zijn er twee mogelijkheden:

Beide boten hebben het zeil aan dezelfde kant (beide SB of BB) staan: ze varen over dezelfde boeg. In dit geval moet het schip dat het andere schip aan lij van zich ziet uitwijken. Dus: loef wijkt voor lij of wie minder scherp vaart wijkt. Schip A ziet schip B aan lij van zichzelf; de regel is 'loef wijkt voor lij', A moet dus wijken.

 

De schepen hebben het zeil niet aan dezelfde kant staan: ze varen over verschillende boegen. Het BPR zegt dan dat het schip dat het zeil over stuurboord heeft staan moet wijken. In beide situaties in figuur 2.3 moet A dus wijken voor B.

De laatste soort boten die je kunt tegenkomen zijn ook de vermoeiendste, althans voor de schipper: ze worden door spierkracht voortbewogen! Denk aan roeiboot, kano, waterfiets etc. De regel is: spierkrachtschepen wijken voor (kleine) zeilboten, maar: kleine motorboten moeten wijken voor de spierkrachtschepen.

Een kleine herhaling en goede raad:
We kijken nog even terug naar alle regels die we nu bekeken hebben:


1. Altijd geldt: goed zeemanschap.
2. Groot (20 m.) gaat voor klein.
3. Boten aan stuurboordkant gaan voor, als regel 2 niet geldt.
4. Kleine zeilboten gaan voor kleine motorboten, als regel 3 niet geldt.
5. Zeilboten onderling: 

  • eerst regel 3.
  • dan: loef wijkt voor lij
  • of: stuurboord wijkt voor bakboord.

6. Zeilboten gaan voor spierboten en spierboten gaan voor (kleine) motorboten.

Nog wat goede raad over het uitwijken zelf:
Kijk altijd goed om je heen en zorg dat je weet of er schepen in de buurt zijn. Bedenk steeds ruim van te voren of je voor een schip moet wijken. Als je moet wijken , doe dat dan lang voordat er gevaar ontstaat. Laat de andere schepen altijd duidelijk zien wat je van plan bent. Zorg ervoor dat je nooit een aanvaring maakt, want ook als eigenlijk de ander had moeten wijken, moet jij toch ook alles doen om een aanvaring te vermijden!


4.1.3 Een paar vaarregels voor speciale situaties
In het voorafgaande hebben we steeds gesproken over schepen die elkaar tegenkomen, zonder precies te bekijken hoe ze elkaar tegenkomen. Op welke koers varen die schepen precies?
De volgende situaties kunnen voorkomen:

  • de koersen kruisen elkaar (zie:4.1.2)
  • de boten varen recht op elkaar af
  • de achterste boot gaat de voorste inhalen
  • een boot vaart af van een steiger of vaart een haven uit.

Voor de laatste drie situaties gaan we de vaarregels eens nader bekijken.

1. Recht op elkaar af: tegengestelde koersen.
In het algemeen is de regel: als twee kleine boten recht op elkaar af varen moeten ze allebei naar stuurboord wijken. Maar er zijn enige uitzonderingen:

De eerste: als het twee zeilboten zijn dan geldt de bekende regel: stuurboord wijkt voor bakboord.

 

De tweede uitzondering: als het een zeilboot en een motorboot zijn geldt de aloude regel: motor wijkt voor zeil.

 

De derde uitzondering raad je natuurlijk al: ook bij tegengestelde koersen geldt: spier wijkt voor zeil, en motor wijkt voor spier.

 

 

2. Inhalen: oplopende koersen
Van oplopen en voorbijlopen spreken we als een boot een andere (schuin) van achter nadert en voorbij vaart. Diegene die aan het inhalen is, moet wijken.

Er is geen uitzondering hierop: het geldt dus ook tussen ongelijksoortige kleine schepen. Als je dus een waterfiets oploopt met je zeilboot dan moet je wijken!

In een kanaal kan een zeilboot wel eens hard gaan en een ander schip daardoor inhalen. De ingehaalde boot moet dan aan loef ruimte maken om de zeilboot erlangs te laten. Een verstandige regel...

 

Hierna staan nog enkele situaties om zelf uit te zoeken wie voor wie moet wijken en waarom. Doe je best!

3. Regels bij afvaren en voor het uitvaren van havens etc.
Een aantal andere regels dat handelt over het in- en uitvaren van havens, het afvaren van een steiger etc. is als volgt samen te vatten:
Alle schepen, die dergelijke manoeuvres maken (oversteken, ankeren, aanleggen, havens in- of uitvaren, afvaren) moeten zoveel mogelijk wachten met die manoeuvre tot de weg helemaal vrij is. Ze mogen dus niemand hinderen met hun manoeuvre.



4.1.4 Lichten en geluidsseinen
Geluidsseinen: je kunt (en moet als dat nodig is) met de toeter een aandachtssein geven. Dat doe je bijvoorbeeld als je een brug geopend wilt hebben, of ook als je denkt dan een ander schip een gevaarlijke koers vaart en jou dreigt aan te varen.

Een aandachtssein duurt ongeveer 4 seconden. Denk er wel om dat je alleen seinen geeft als het echt nodig is. Ga dus niet zo maar in 't rond zitten toeteren.

Bruglichten: 

  • Als je drie rode lichten ziet dan gaat de brug niet open, hoe hard je ook toetert; de brugwachter is er dan niet. 
  • Twee rode lichten betekent dat de brug wel bediend wordt: als je een aandachtssein geeft (of het sein brug-open: lang-kort-lang) dan gaat de brug wel open. Als de brug open gaat en de lichten op rood blijven staan, kan dat betekenen dat de boten van de andere kant van de brug eerst er door heen mogen.
  • Als je dan een groen en een rood licht ziet, gaat de brug voor jouw kant open. Je mag er dan nog niet invaren!
  • Pas als er twee groene lichten zijn dan mag je de brug passeren.

Tot slot: mocht je ooit eens 's nachts varen (hoewel het dan erg donker is) zorg er dan voor dat je een rondschijnend wit licht boven in je mast hebt hangen, bijvoorbeeld een stormlamp. Anders ben je voor andere schepen vrijwel onzichtbaar.



4.2 Overzicht zeiltermen
De volgende termen worden veel gebruikt bij het zeilen:

Stuurboord (SB)

rechts, naar voren gezien

Bakboord (BB)

links, naar voren gezien

Varen over SB of BB

met het zeil over SB of BB

Loef

de kant waar de wind naar binnen komt

Lij

de kant waar de wind eruit gaat

Hoger

meer naar loef toe

Lager

meer naar lij toe

Hogerwal

wal waar de wind vandaan komt

Lagerwal

wal waar de wind naar toe waait

Oploeven

naar de wind toe draaien

Afvallen

van de wind af draaien

Doorzetten

een lijn, b.v. een fokkeval, heel strak zetten

Vieren

een lijn, b.v. een fokkeschoot, een stuk loslaten

Killen

klapperen van de voorkant van een zeil

Hozen

water uit de boot scheppen

Water maken

zo schuin varen dat de boot water binnen krijgt

Binnen de wind

nog verder dan voor de wind afgevallen zijn, d.w.z. een dreigende (klap)gijp

Bovenwinds punt

om daar te komen moet je een of meer malen overstag gaan

Afmeren

vastmaken van de boot aan de wal, steiger, palen e.d. met de bedoeling om de boot langere tijd te laten liggen

Staand wand

Alle stagen

Lopend wand

Alle vallen

Tuigage

Alle zeilen, schoten, harpsluitingen

Rondhout

Mast, wrikriem, roeiriemen, vlaggenstok, boegspriet, vaarboom