Zeilen in de praktijk

 

3.1 Het weer en zeilkleding


Als waterscout en zeiler heb je nogal veel met het weer te maken. Omdat het op het water vaak kouder en natter is dan we denken, is het verstandig om warm en waterdicht ingepakt te zijn. Het is ook vaak verstandig en soms zelfs noodzakelijk om een reddingsvest te dragen. Bij zeilwedstrijden is een zwemvest bij altijd verplicht! Als het hard waait of als het nat weer is, is het handig om over je groepsdas een handdoek in je nek te doen: dat voorkomt het naar binnenlopen van regen- of boegwater.

Over het schoeisel: ook met mooi weer is het niet slim om met blote voeten aan boord te zijn. Aan boord van een schip zijn nogal wat dingen gevaarlijk voor bloten voeten. Het beste zijn gymschoenen of zeillaarzen.

Over het weer: denk erom dat het weer nogal snel kan veranderen. Houd daar rekening mee met het meenemen van bijvoorbeeld een zeilpak, droge kleren en een zonnebril (met touwtje om je nek!). Iedere verkenner is verplicht om aan boord van een schip een zwemvest bij zich te hebben (beter mee dan om verlegen).

Helemaal compleet ben je als een harpsleutel en een zakmes bij je hebt. Ga je een dag weg vergeet dan brood en drinken niet! En is het mooi weer: zwemspul is dan ook handig.


3.2 Het schip zeilklaar maken


Aangekleed en wel gaan we aan boord. Spring niet op het schip en kijk goed uit waar je jouw voeten neerzet: dit voorkomt dat je uitglijdt en raar terecht komt. Loop nooit over de dektent of ander zeildoek heen: dat voorkomt slijtage aan het doek.



3.2.1 Voorbereidend werk
Als er een dektent over de boot ligt doe dan het volgende: rol de dektent een stukje terug en stap dan voorzichtig op de boot. Rol de dektent van achter naar voren op en vouw hem verder op. Leg de dektent vervolgens op een droge plaats weg.

Is er geen dektent dan zal het meestal nodig zijn om de boot leeg te hozen. Leg daarvoor een vlonder aan de kant, zorg dat de boot schuin hangt en hoos 'm leeg.

Breng nu alle mee te nemen bagage aan boord; zorg dat je altijd, behalve het tuigage, het volgende aan boord hebt (de kwartiermeester houdt dit in de gaten!):

  • hoosvat
  • wrikriem
  • minimaal 2 roeiriemen
  • minimaal 2 dollen
  • 2 reserve harpsluitingen
  • 1 reserve val
  • EHBO-doos
  • zwemvest per bemanningslid
  • meerpen
  • anker met minimaal 25 meter ankerlijn
  • bij onbekend en/of groot water: een waterkaart
  • al het kleine materiaal in de bakskist.

Het aanslaan van de zeilen kan beginnen.



3.2.2 Fok aanslaan
  • Maak de blokken van de fokkenschoot aan de lei-ogen vast. De fokkenschoot zit meestal al in de blokken. Leg de uiteinden van de fokkenschoot dan over de doft.
  • Zorg dan dat je de fokkenval bij de hand hebt.
  • Pak de fok uit de zeilzak en zorg dat de fok niet op de grond terecht komt.
  • Maak de halshoek van de fok voor op de boot met een sluiting vast en bevestig dan van onder naar boven de leuvers aan de voorstag.
  • Maak de fokkenval met een harpsluiting aan de tophoek van de fok vast.
  • Bevestig tot slot de fokkenschoot met een fokkeleertje (of touwtje) aan de schoothoek van de fok.

Zorg ervoor dat tijdens deze handelingen de fok zo schoon mogelijk blijft; ga er dus zeker niet op staan.



3.2.3 Fok opbinden
Om te voorkomen dat de fok op een nat voordek komt te liggen, in het water waait of dat iemand er op gaat staan of er over struikelt, moet de fok opgebonden worden.
  • Trek hiervoor de fok strak naar achteren, doe hem dubbel en stop het geheel tussen de voorstag en de fokkenval, boven de bovenste leuver.
  • Daarna trek je de fokkenval aan en zet het vrije eind om de voorstag en het vast eind van met enkele slippende halve steken.

Deze manier gebruik je ook als je de fok voor langere tijd opbindt. Alleen moet er dan wel een beschermende huik over heen.


3.2.4 Grootzeil hijsklaar maken
Wanneer het grootzeil nog niet aan de mast vast zit doe dan het volgende:

  • Zet de mik in de daarvoor bestemde ogen (of zet de schaar op het achterdek).
  • Leg het grootzeil in de mik en bevestig de giek aan de mast.
  • Bevestig de grootschoot aan het schootoog.
  • Schiet de grootschoot op en leg deze op het achterdek.
  • Bevestig de piekenval aan de gaffeldraad, de klauwval aan de klauw van de gaffel en de kraanlijn aan het einde van de giek.
  • Zet de andere kant van de kraanlijn zo strak vast op de kikker dat de giek en de gaffel niet meer op de mik rusten.

De vallen komen altijd op dezelfde kikkers, zodat je ze ook bij storm of duisternis snel weet te vinden:

  • de piekenval op de onderste kikker aan stuurboord (rechts) (niet logisch!!!)
  • de klauwval op de bovenste kikker aan stuurboord (niet logisch)
  • de fokkenval op de onderste kikker aan bakboord (links)
  • de kraanlijn op de bovenste kikker aan bakboord.

Dan zijn er nog enkele punten van belang voor dat je aan het hijsen begint:

  • Berg de mik (of schaar) op.
  • Breng het schip naar een plaats waar de zeilen gehesen kunnen worden: dit betekent dat het schip met de kop in de wind gelegd moet worden; mogelijk moet je dan naar de overkant van het water wrikken.
  • Omdat de zeilen ook al bij weinig wind al flink kunnen klapperen, hijsen we de zeilen pas vlak voordat we vertrekken. Dit is om slijtage te voorkomen.

3.2.5 Het grootzeil hijsen
Als eerste zeil wordt het grootzeil gehesen (het fok klappert immers nog meer dan het grootzeil). Doe dit als volgt:

  • Zorg dat de grootschoot voldoende los zit en de giek dus wat heen en weer kan.
  • Maak dan de zeilbandjes los.
  • Controleer of de zeillatten goed op hun plaats zitten.
  • Trek de piekenval wat naar achteren op de gaffeldraad en hijs de piekenval totdat de zeilbanen horizontaal lopen(????).
  • Daarna tegelijkertijd met de pieken- en klauwval het zeil hijsen totdat het zeil volledig omhoog staat. Als de rijglijn nog niet om demast zit, dien je die tijdens het hijsen aan te slaan. Maak het uiteinde vast aan de giek.
  • Zet de piekenval tijdelijk vast (onderste kikker stuurboord) of laat iemand anders de piekenval even vasthouden.
  • Zet nu de klauwval strak vast op de bovenste kikker aan stuurboord.
  • Zet nu de piekenval vast op de kikker daaronder op zo'n manier dat er geen plooien in het zeil lopen; liever de piekenval iets teveel dan te weinig hijsen: de enige zwakke plooi die in het zeil mag zitten is de plooi van de tophoek naar de halshoek; die plooi trekt er meestal uit als de wind in het zeil komt.
  • Laat dan de kraanlijn enigszins vieren, zodat deze niet meer strak staat.
  • Schiet tenslotte de vallen op zo'n manier dat je ze weer snel kunt losmaken.

3.2.6 Fok hijsen
De fok wordt pas gehesen als verder alles en iedereen klaar is om af te varen. De fokkenval wordt zo strak mogelijk op de onderste kikker aan bakboord vastgezet (de enige kikker die nog vrij is). Zorg dat er al iemand is die de fokkenschoten kan bedienen.


3.2.7 De zeilen strijken
Ook het strijken van de zeilen gebeurt in principe altijd in de wind. De werkwijze is precies andersom. De belangrijkste punten zijn:

  • Strijk eerst de fok en bind hem op, zodat niemand erover struikelt.
  • Zet de kraanlijn door (= strak).
  • Pak met één hand de piekenval en de klauwval beet een stuk boven de kikkers.
  • Maak met de andere hand beide vallen los.
  • Laat nu met beide vallen tegelijk het grootzeil zakken; het allerlaatste stukje alleen de piekenval. Vang hierbij de gaffel en het zeil op, zodat het zeil niet op de vlonders of in het water terecht komt.
  • Zet de mik onder de giek.
  • Zet de grootschoot vast, rol het grootzeil op en doe de zeilbandjes er omheen. Als je geen zeilbandjes hebt gebruik je de grootschoot om het zeil bij elkaar te binden.
  • Sla de zeilen af (= maak de zeilen los) en berg ze netjes op in de bakskast: het fok in de zeilzak en dan in de waterdichte ton (dit voorkomt muizenvraat) en het grootzeil opgerold met de schoot er omheen rechtop in de kast. Als de zeilen nat of klam zijn, hang ze dan op in de loods. Voor de schoten geldt het zelfde.
  • Maak dan schoon schip: breng alle losse bagage naar de bakskast en het riemenrek, hoos de boot, verwijder modder met een dweil en controleer of de boot goed vast ligt.

3.3 Het sturen van een schip


Een boot gaat niet vanzelf rechtuit als je de helmstok los zou laten: dat komt door de invloed van wind en golven. Om toch rechtuit de varen is het nodig dat je goed oplet wat de boot doet en dat je op tijd daarop reageert met de helmstok. Rechtuit varen is niet een kwestie van gewoon de helmstek in het midden houden (zoals je dat met een stuur van een auto doet) maar van actief opletten en sturen.

Als je stuurt dan zit je altijd aan die kant op het achterdek waar je tegenover het zeil zit: de hoge kant. Je moet in het zeil kunnen kijken. Naar welke kant je de helmstok moet bewegen om een bepaalde kant op te draaien, merk je snel genoeg. Wel is het belangrijk dat je niet te veel en te ruw de helmstok gebruikt. De helmstok mag bijvoorbeeld nooit dwars op het schip komen te staan omdat je dan veel te snel remt met het roer.
Soms gebruik je het fok als hulpmiddel bij het sturen, zoals bij het overstag gaan. Dit komt later nog aan de orde.

Soms is het moeilijk te zien of het schip nu draait of rechtuit vaart. Ervaren zeilers kunnen op het gevoel rechtuit varen; in het begin heb je daar vaak hulpmiddeltjes bij nodig. Zo kun je bijvoorbeeld langs de mast en de voorstag naar de wal kijken. Ook kun je achterom kijken naar het kielzog van het schip. Veel meer is er niet te vertellen over het sturen, het is echt iets dat je in de praktijk moet leren.


3.4 Zeilen en wind

Een zeilboot gaat vooruit doordat de wind in de zeilen blaast. Op welke manieren kun je te weten komen waar de wind vandaan komt?
Je kunt de wind voelen, ruiken, horen en zien!
Om met het eerste te beginnen: je voelt de wind vooral goed rond je nek en in je gezicht. Probeer maar eens om met je ogen dicht te bepalen waar de wind vandaan komt.

De wind ruiken kan alleen als er een luchtje aan zit; denk maar aan mestlucht. Als je die ruikt en je ziet een mestkar rijden, dan kun je concluderen waar de wind vandaan komt.

Verder kunnen we de wind nog zien: als je in de buurt van de oever vaart kun je kijken naar het riet, de bomen, rook uit schoorstenen, vlaggen enzovoort. Ook zou je naar de wolken kunnen kijken en naar de golven en schuimstrepen op het water.

Ook op het schip zelf zit een voorwerp waaraan je kunt zien waar de wind vandaan komt: het vaantje. Het vaantje is niets anders dan een klein vlaggetje met vooraan een ijzerdraadje dat aanwijst waar de wind vandaan komt.

Alles bij elkaar kun je het beste in het begin goed proberen te voelen waar de wind vandaan komt en af en toe eens naar het vaantje kijken. Probeer alle methoden zoveel mogelijk te combineren en vaar niet alleen 'blind' op het vaantje.

Houd er bovendien rekening mee dat het vaantje de schijnbare wind laat zien, dus hij zal altijd meer naar voren wijzen door je eigen snelheid. De echt wind komt altijd minder van voren!

Denk er aan dat als je langs bomen of bebouwing vaart er 'valse' winden kunnen waaien. Dit zijn winden die een andere richting opwaaien door die bebouwing of bomenrij dan de wind doet die er over heen waait. Alleen op open water (of in de polder) heb je geen valse winden (behalve als de wind zelf aan het draaien is).

We gaan nu eens bekijken welke richtingen je allemaal uit kunt zeilen ten opzichte van de wind.


3.4.1 Met de wind mee

De wind komt dan van achteren. Ter vergelijking: als je op de fiets zit is het altijd prettig als je de wind mee hebt. Zo is het ook met een zeilboot: met de wind mee kom je gemakkelijk vooruit.
Om zo snel mogelijk vooruit te komen, zul je met het zeil zoveel mogelijk wind moeten vangen. Als de wind van achter komt, gaat dat het beste als je het zeil helemaal naar buiten laat gaan. Zoals je in de tekening kunt zien, vangt het zeil zo erg veel wind (1 en 2), terwijl in de 3e tekening alle wind langs het zeil stroomt en de boot niet zo hard vooruit zal gaan. Zo moet het dus niet. Als de wind toch recht van achter komt, maakt het niet veel uit aan welke kant van de boot het zeil staat. Nog even de naam van het zeilen met de wind mee: dit heet voor de wind zeilen.

 


3.4.2 Recht tegen de wind in

De wind komt dan recht van voren. Als je tegen de wind in gaat, ga je precies de andere kant op dan wanneer je met de wind mee gaat. Om weer even op die fiets terug te komen: tegen de wind in fietsen valt niet mee. Met een boot is dat nog veel erger: je kunt niet recht tegen de wind in zeilen. De boot wordt dan door de wind achteruit geblazen en daar heb je niets aan.

Als je toch probeert recht tegen de wind in te zeilen, zul je zien dat de zeilen boven de boot (en je hoofd) gaan staan klapperen. Ze klapperen dan als een vlag in de wind en de boot gaat niet vooruit. Toch blijven proberen heeft geen zin: het gaat echt niet. We noemen dit recht tegen de wind in liggen: in de wind.

Deze positie is juist wel goed om de zeilen te hijsen of te strijken.

 


3.4.3 Met de wind schuin van achteren
We hebben al gezien dat je gemakkelijk met de wind mee kan varen. Als de wind schuin van achteren komt, zul je ook nog wel gemakkelijk vooruit gaan. Iets nieuws hierbij is dat de wind van schuin rechts (stuurboord) en van schuin links (bakboord) achter kan komen. Het zeil staat dan altijd aan die kant, waar de wind naar toe gaat. Om zo snel mogelijk vooruit te komen, staat het zeil iets meer aangetrokken dan toen je voor de wind voer. Varen met de wind schuin van achteren heet: ruime wind varen.


3.4.4 Met de wind van opzij

Als de wind van opzij komt, zou je kunnen verwachten dat de boot opzij gaat. Gelukkig zit er onder de boot een midzwaard dat het 'opzij gaan' (of verlijeren) tegen houdt. Ook stroomt de wind zo langs het zeil dat de boot toch vooruit gaat. De wind kan natuurlijk van beide kanten van opzij komen: van bakboord en van stuurboord.

Hoe strak moet je zeil nu staan? Je hebt gezien dat bij ruime wind het zeil iets strakker moest staan dan bij voor de wind. Als de wind van opzij komt, moet het zeil nog wat meer worden aangetrokken. Dit moet je zover doen, dat het voorste stuk van het zeil niet meer klappert of 'bolt'; dit klapperen noemen we killen. Als een zeil kilt zal de boot niet zo snel varen als het eigenlijk kan: dus altijd het zeil zo precies zo strak aan trekken dat het net niet kilt. Trek je het te strak aan, dan gebruik je de windkracht maar gedeeltelijk en vaar je ook niet zo snel als zou kunnen.

Het varen met de wind van opzij noemen we halve wind varen, zowel over bakboord als over stuurboord.


3.4.5 Met de wind schuin van voren

Het lijkt misschien helemaal onmogelijk, maar het kan echt: je kunt schuin tegen de wind in varen! Het is hier niet zo dat de boot door de wind naar achteren wordt geblazen. Maar alweer dankzij het midzwaard en de goede vorm van de zeilen kunnen we toch vooruit komen. Wel is het hierbij heel belangrijk dat het zeil in de goede stand staat. Ook op deze koers mag het zeil niet killen. Dat betekent in de praktijk dat je het zeil strak aangetrokken moet hebben als je schuin tegen de wind in vaart. Zo varen heet aan de wind varen. Ook dit kan zowel over bakboord als over stuurboord gebeuren.

Even terug heb je gezien dat je niet recht tegen de wind in kunt varen. Schuin er tegen in (aan de wind) kan gelukkig wel. De grens tussen in de wind en aan de wind (de koers waarop je, als je goed oplet, nog net goed vooruit komt) heet hoog aan de wind.

Nog wat termen:
Je kunt dus ten opzichte van de wind alle kanten op varen, behalve in de wind.
Je kunt als je voor de wind begint, een bocht maken totdat je in de wind terecht komt, met het zeil steeds aan dezelfde kant! Je draait als het ware naar de wind toe. Dit heet: oploeven.

In de tekening vaart het schip met het zeil aan stuurboord. Let op dat het zeil tijdens het oploeven steeds strakker komt te staan. Teken zelf eens een oploevend schip (vanaf voor de wind) met het zeil over bakboord.



Je kunt ook in beginnen en een bocht maken tot je voor de wind vaart: je draait dan van de wind af. Dat heet: afvallen. Zie je dat het zeil steeds verder uit komt te staan? In de tekening staat het zeil over stuurboord. Teken zelf eens een boot die aan het afvallen is, maar dan met het zeil over bakboord.

 

 

 


3.5 Iets over de werking van de wind in zeilen: aërodynamica

Als je wilt gaan oploeven of afvallen, kun je de zeilen daarbij mooi een deel van het werk (draaien) laten doen. Als je het grootzeil loslaat, gebeurt er het volgende: alleen de fok vangt nog wind en de voorkant van de boot zal naar lij (van de wind af) geduwd worden: het schip gaat afvallen.



Het omgekeerde zal gebeuren als je alleen de fok loslaat: de voorkant van de boot wordt nu naar loef (naar de wind toe) geduwd: het schip gaat oploeven.
Als je wilt gaan oploeven of afvallen kun je het schip helpen draaien met de zeilen. Gebruik de helmstok voor de fijne afwerking. Je zult zien dat het schip dan veel prettiger draait: met minder kracht op het roer en je helmstok en ook op de schoten! Bovendien, waarom zou je jezelf moe maken met trekken en duwen, als je het schip zelf het werk kunt laten doen?

 


3.6 Algemene regels voor de zeilstand


We geven nu nog even enige algemene regels om de zeilstand te bepalen.
De zeilen moeten altijd zo los staan dat ze net niet killen. Als je ze iets losser zet en ze gaan killen, dan stonden ze precies in de goede stand. Alleen voor de wind geldt deze regel niet, want dan kan het zeil helemaal niet killen.

Je moet er op bedacht zijn dat het zeil naar de andere kant kan gaan bij:

  • voor de wind varen en 
  • aan de wind varen 

wanneer we de bocht om willen. 
Als voorbeeld bekijken we even een schip dat een rondje om een eiland vaart (zie de tekening).

In positie 1 staat het zeil over stuurboord; de boot vaart aan de wind. Dan loeft hij op tot positie 2, recht in de wind. Op deze koers kan hij natuurlijk niet blijven varen. Daarom valt hij af tot in positie 3, aan de wind over bakboord. De boot draait met de punt door de wind en vaart verder. Deze manoeuvre (aan de wind, oploeven, in de wind, afvallen, aan de wind) noemen we overstag gaan. Dit is één manier om het zeil aan de andere kant van de boot te krijgen.

Tussen positie 3 en 4 valt de boot verder af, tot voor de wind. De andere manier om het zeil aan de andere kant van de boot te krijgen, zien we in positie 4 en 5. De boot vaart hier voor de wind. Zoals we al gezien hebben, kan op de voordewindse koers het zeil zowel over stuurboord als over bakboord staan. Vanaf positie 5 gaat het schip weer oploeven. Het zeil staat dan aan stuurboord. Bij positie 4 staat het zeil nog over bakboord. Het zeil moet dus aan de andere kant van de boot komen. Dit, voor de wind het zeil naar de andere kant van de boot laten waaien, noemen we gijpen.


3.7 Zeilstanden en oriëntatie ten opzichte van de wind


Zoals je in het voorafgaande gezien heb is het mogelijk om bijna alle richtingen uit te varen. De wind legt slechts één beperking op: je kunt er niet tegen in varen. Als je eenmaal bedacht hebt waar je naar toe wilt varen en je ook goed hebt bekeken en gevoeld waar de wind vandaan komt, dan kun je bepalen hoe je zeil zal moeten staan. Nu is het gemakkelijk te zien of een gekozen koers met halve wind te varen is.

Voor sommige koersen is het niet zo gemakkelijk: zo is het bijvoorbeeld moeilijk om, als je hoog aan de wind naar een bepaald doel toe moet, van tevoren te zeggen of dat je inderdaad zal lukken zonder overstag te moeten gaan. Ook voor de wind zal zich een grenssituatie voordoen: je moet juist wel of net niet gijpen om ergens te komen. Om deze grensgevallen goed te leren zien is het goed als je jezelf geregeld afvraagt naar welke punten op de wal je nog net zou kunnen varen:

  • hoog aan de wind over stuurboord en bakboord
  • en precies voor de wind.

Nu praten we verder over zeilstanden. Om zo snel mogelijk ergens te komen, is het belangrijk dat je zeil precies in de juiste stand staat. Op sommige koersen (halve en ruime wind) is een niet geheel correcte zeilstand niet zo heel erg.
De voordewindse koers is een juiste zeilvoering de volgende:

  • vier het grootzeil zover uit dat de giek net niet tegen het want (stag) aan komt
  • je kunt verder nog proberen de fok aan de loefzijde te zetten, want achter het grootzeil vangt hij toch geen wind (fok te loevert heet dat).

De koers waarop een goede zeilstand het belangrijkste is, is hoog aan de wind. Hoog aan de wind is geen gestrekte koers zoals alle andere koersen dat wel zijn. Bij hoog aan de wind vaar je nog schuiner tegen de wind in dan bij aan de wind en je reageert continu op alle windvlagen en winddraaiingen door op te loeven of af te vallen.
Bij een windvlaag zul je proberen op te loeven en als de windvlaag voorbij is moet je weer wat afvallen. Hoe strak je dan het grootzeil en de fok moet aantrekken, hangt af van de windkracht. Als het flink waait kun je het grootzeil en de fok wel zo strak aantrekken als je kunt. Alleen als het zachtjes waait moet je ervoor zorgen dat het zeil niet al te strak aangetrokken is.

Waaraan kun je zien of je wel zo hoog mogelijk aan de wind vaart? Bijvoorbeeld aan het vaantje kun je zien of je al dan niet te ruim aan de wind vaart, maar je kunt er niet aan zien of je misschien te hoog vaart. Dat kun je het beste zien aan het voorlijk van de fok (als de fok tenminste strak genoeg is aangetrokken).

Als het voorlijk van de fok gaat killen, dan vaar je te scherp (= te hoog aan de wind). Het lijkt dan vaak wel of je langs een kortere weg naar je doel vaart, maar in werkelijkheid zal blijken dat je er op die manier veel langer over doet. Met killende zeilen zal immers de snelheid van de boot verminderen. Zorg er dus voor dat als je hoog aan de wind vaart, het voorlijk van de fok niet kilt en dat je ook vooral niet te ruim aan de wind vaart.

Bij de overige koersen, aan de wind, halve wind en ruime wind, moeten de zeilen zover gevierd staan dat ze net niet killen. Dat is bij hoog aan de wind ook wel zo, maar op die koers zul je met eventuele winddraaiingen meedraaien, terwijl je op de andere koersen de zeilstand zult moeten aanpassen.


3.8 Overstag gaan

Overstag gaan is het volgende: oploeven van hoog aan de wind tot in de wind en dan weer afvallen tot hoog aan de wind over de andere boeg. Het eerste waar je op let is of je wel hoog aan de wind vaart. Dan kijk je of je wel de bocht om kan: varen er bijvoorbeeld geen andere schepen in de weg en is aan boord alles klaar om overstag te gaan? Als alles klaar is, viert de fokkenist de fokkenschoot een stukje, waardoor de boot gaat oploeven. De stuurman helpt met het roer om de boot te laten draaien. De boot komt dan in de wind te liggen en draait langzaam door. Dat doordraaien kan wat geholpen worden door de fok bak te trekken; dat gebeurt eigenlijk vanzelf als je de schoot maar weinig viert.

Door de bakstaande fok wordt de punt van de boot door de wind geduwd. Op het moment dat het achterlijk van het grootzeil weer wind begint te vangen (kijk maar eens in de zeilen) gaat de fok naar de andere kant. Daar wordt hij in eerste instantie niet helemaal strak aan getrokken. Als je dat wel doet dan kan de boot te ver doordraaien naar halve wind, waardoor je koersverlies krijgt.

Als de boot weer op snelheid is wordt de fok strak gezet. 'Fok bak' hoef je eigenlijk alleen te gebruiken als je zonder roer niet overstag kan komen; bijvoorbeeld bij:

  • harde wind en golfslag
  • heel weinig snelheid
  • een verkeerd begonnen draai
  • het direct willen afvallen.

Het is erg belangrijk dat je bij het overstag gaan de fok goed kunt bedienen. Dit geldt vooral bij het opkruisen van een kanaal. Een slecht bediend fok kan uren vertraging opleveren. De fok moet dan zo bediend worden dat het schip zo gemakkelijk mogelijk door de wind draait en zo weinig mogelijk snelheid of koers verliest.
De stuurman kan de overstagmanoeuvre het beste overzien en hij/zij geeft daarom de commando's voor de fokkenist.

Tot slot nog het volgende: de fok moet zo min mogelijk klapperen om slijtage te voorkomen (bovendien is het een onprettig geluid). Vier daarom op het commando 'ree' de fokkenschoot niet te veel; 20 à 30 cm is genoeg.

Ook bij het 'fok over' commando kun je het klapperen van de fok verminderen, door de ene fokkenschoot meteen een stuk aan te trekken, als je de andere loslaat. Het bijkomende voordeel hiervan is dat de schoot niet zo gauw blijft haken achter één van de kikkers.

Nog iets over de stuurman: met het roer helpt hij de boot aan het draaien te brengen. Als de fok bak staat, weet hij zeker dat de boot zal doordraaien; dan pakt hij de grootschoot en helstok in zijn andere hand en gaat verzitten (de helmstok kan hij rustig even loslaten). Dan brengt hij de helmstok langzaam naar het midden en zorgt dat het schip op de goede hoog aandewindse koers komt. Belangrijk is dat tijdens de gehele manoeuvre het roer weinig en voorzichtig gebruikt wordt (elke beweging vertraagt de gang van het schip).





Hieronder vind je alle commando's nog eens in een schema terug (de nummers in de tekst verwijzen naar de scheepjes in de tekening).

1. klaar om te wenden 

  • vlak voor de manoeuvre
  • stuurman: heeft al goed uitgekeken en doet niets
  • fokkenmaat: gaat opletten, maar doet nog niets

2. ree

  • als je begint te draaien
  • stuurman: geeft iets roer
  • fokkenmaat: viert de fokkenschoot een beetje

3. fok bak

  • als grootzeil helemaal klappert
  • stuurman: gaat verzitten
  • fokkenmaat: trekt de fok bak met dezelfde fokkenschoot

4. fok over (of fok door)

  • als achterlijk grootzeil weer wind vangt
  • stuurman: zorgt dat de boot niet verder draait
  • fokkenmaat: trekt de nieuwe fokkenschoot een stuk aan (niet strak!)

5. fok aan

  • als hele grootzeil weer wind vangt
  • stuurman: houdt de boot hoog aan de wind
  • fokkenmaat: trekt de fok verder aan.

Natuurlijk ga je niet altijd op dezelfde manier overstag. Afhankelijk van de omstandigheden zul je nu eens een snelle, korte bocht maken en dan weer een langzame, lange bocht. Probeer het maar eens op verschillende manieren en let op de verschillen in hoogtewinst en snelheidsverlies.


3.9 Het nut van overstag gaan, laveren en bovenwinds punt bezeilen
3.9.1 Laveren

Zoals je al gezien hebt, kun je niet recht tegen de wind in varen. Toch zal dat wel eens nodig zijn, want veel kanalen en vaarten zijn zo gegraven dat ze in de wind liggen... Gelukkig kun je wel aan de wind varen. Als je nu in een indewinds kanaal hoog aan de wind vaart over de ene boeg, kom je tenslotte bij de wal uit. Als je dan daar overstag gaat en over de andere boeg hoog aan de wind verder gaat, kun je weer een stuk schuin tegen de wind in, tot je weer bij de wal bent. 
Dit heet opkruisen of laveren. Om zo snel mogelijk door een indewinds kanaal te komen moeten we op een aantal dingen letten:
  • Hoe staat de wind precies op het kanaal?

Als de wind precies in de lengterichting van het kanaal waait, lig de zaak eenvoudig: beide aandewindse slagen zijn dan even lang (zie het figuur). Anders wordt het als de wind schuin ten opzichte van het kanaal staat; dan krijg je een lange en een korte aandewindse slag (zie volgend figuur). Teken zelf hoe je in het rechtse kanaal moet opkruisen.

  • Zorg dat je snelheid in het schip houdt.

Als je namelijk geen snelheid meer hebt, werkt je roer niet meer en dan kan het wel eens gebeuren dat je niet overstag komt. Dit snelheid houden komt vooral neer op het niet te hoog aan de wind varen!

Dat is echt iets waar je goed op moet letten, want je hebt (dat zul je wel merken) de neiging om zo recht mogelijk door het kanaal te gaan varen. Dan ga je echter te veel in de wind en waai je achteruit weer terug. Vooral in een korte slag (smalle vaart, niet recht in de wind) is het heel belangrijk om snelheid te hebben.
Op die manier kan je ook goed andere boten ontwijken. Heb je weinig snelheid, dan kan dat dus ongelukken geven.

Kortom: vaar niet te hoog aan de wind en ga op tijd overstag, niet al te dicht bij de wal.

Even iets over de uitwijkregels als aan het kruisen bent: je hebt op niemand voorrang. Je moet voor bijna iedereen uitwijken als je aan het kruisen bent, behalve voor sommige andere kruisende schepen. Verderop staat hier meer over.

 


3.9.2 Bovenwinds punt bezeilen

Een bovenwinds punt is een punt, waar we niet in één keer naar toe kunnen varen, maar waarvoor we eerste één of meer keren overstag moeten gaan om dat punt te bereiken. Als we overstag gaan, maken we een rechte hoek ten opzichte van de voorgaande koers. We kunnen nu voorspellen, als we tenminste hoog aan de wind varen, waar we terecht komen: we kijken precies dwars uit het schip (een rechte hoek) naar de loefzijde en zien dan het punt waar we hoog aan de wind over de andere boeg heen kunnen zeilen.

Samengevat: vaar hoog aan de wind, kijk dwars uit naar loef en bepaal het punt waar je uit zou komen als je overstag zou gaan. Ligt het punt waar je uit wilt komen voor de peilingslijn, dan moet je nog even doorvaren. Als het gewenste punt op, of liever nog wat achter die lijn lig (dat heet achterlijker dan dwars) kun je overstag gaan en erheen varen. Dit peilen noemen we een dwarspeiling maken.

Opmerking: het hangt erg van het schip, windkracht, de afstand tot het punt en de golven af, wanneer je precies overstag kunt gaan om ergens te komen. Er is geen precieze regel te geven voor het bezeilen van een bovenwinds punt, tenminste niet een altijd precies geldende regel.

 

Een goede benadering is de volgende:

  • neem het punt een stuk achterlijker dan dwars; 
  • hoe harder het waait, hoe meer achterlijker dan dwars
  • hoe verder je er vanaf bent, hoe meer achterlijker dan dwars
  • hoe meer golven, hoe meer achterlijker dan dwars

Doe je dat niet dan zal blijken dat de boot dusdanig verlijert dan je onder het te bezeilen punt uitkomt.
Doe je het wel dan kom je in ieder geval dicht in de buurt uit.


3.10 Gijpen


De techniek van het gijpen gaat als volgt:

  • Je hebt twee handen nodig om de schoot aan te trekken om de giek in te halen en naar de andere kant te laten vieren.
  • De meeste mensen hebben dan geen hand meer over om te sturen.... Je moet dus op een andere manier de helmstok bedienen dan bij het overstag gaan. Ga daarom aan de lage kant zitten (aan lij) en stuur de boot met je zij of je rug. Dat kan, omdat het schip op deze koers vanzelf wil oploeven en je de helmstok alleen maar hoeft tegen te houden om rechtuit te gaan.
  • Zorg dat je voor de wind vaart, of om het iets gemakkelijker te maken, iets binnen de wind. Binnen de wind is nog iets verder afvallen dan voor de wind, het zeil komt dan gemakkelijk over (bijna vanzelf). Dat je goed voor de wind vaart, of binnen de wind, kun je het beste zien aan de fok, die dan wat lusteloos voor de mast hangt. 
  • Haal dan met snelle, lange halen de grootschoot in. Blijf ondertussen wel naar voren kijken. 
  • Als het goed is gaat het grootzeil, zo gauw als het midden boven de boot is, vanzelf naar de andere kant. Vier dan de schoot meteen helemaal uit.
  • Als het zeil niet vanzelf naar de andere kant wil, geef dan (nog steeds met je rug of zij) een duwtje tegen de helmstok, dan gaat de rest vanzelf.
  • Zo gauw je het grootzeil viert, kun je weer een hand gebruiken om te sturen en dat is maar goed ook, want het schip zal zeker willen oploeven. Omdat je na de gijp vanzelf weer aan de loefzijde zit (het zeil staat immers aan de andere kant) kun je dat oploeven niet meer met je rug of zij tegenhouden, je hebt er echt een hand bij nodig.
  • Zoals altijd is het erg belangrijk goed te kijken of je jouw koers wel kunt veranderen. Kijk goed uit of er geen andere schepen dicht bij je zijn, als je gaat gijpen. Ook moet je de bemanning even waarschuwen voor het overkomen van het zeil: zeg dan klaar om te gijpen!

 

Als het erg hard waait kan het erg lastig zijn om een goede veilige gijp te maken. Immers het grootzeil komt dan met een reuze klap naar de andere kant, er kan een rondhout breken, je kunt water scheppen, de kans dat iemand iets tegen zijn hoofd krijgt is groter enz.
Je kunt het gijpen dan beter vermijden door over stag te gaan: de andere manier om het zeil naar de andere kant van de boot te krijgen. 

Je moet dan wel bijna een heel rondje varen, een zogenaamd stormrondje. Dat gaat als volgt:

  • Loef rustig op tot hoog aan de wind,.
  • Wacht op een geschikt moment om overstag te gaan (niet in een windvlaag of in een hoge golf).
  • Val dan weer rustig af tot de gewenste koers.

Doe niet al die mensen na die een heel klein rondje maken, maar neem er de tijd en de ruimt voor: dat is rustiger en veiliger. Met een klein rondje zal de kans groot zijn dat je alsnog water schept etc.

 


3.11 Langzaam varen, aanleggen en afvaren

3.11.1 Langzaam varen
Om netjes en zachtjes aan de wal te kunnen komen, is het nodig dat je weet hoe je de snelheid van de boot kunt regelen. Dat moet met het zeil gebeuren, want er is geen rem. Het zeil moet, om de boot niet vooruit te duwen, geen wind meer vangen, ofwel klapperen. Maar je moet ook weer snelheid kunnen maken als je te langzaam vaart. Op welke koersen kun je het zeil zover loslaten dat het geen wind meer vangt en toch weer vaart maken zonder je koers te veranderen?

Eigenlijk alleen op een aandewindse koers kan het zeil los genoeg om geen wind meer te vangen. Bovendien aanleggen doe je eigenlijk alleen aan de loefzijde. In die gevallen zeil je altijd aan de wind. Als je wilt aanleggen cq langzaam wilt varen begin dan met een aandewindse koers te zoeken. Als je die gevonden hebt, kun je beide zeilen enigszins loslaten. Dat wil zeggen: je viert de schoten zover op dat alleen het achterlijk van de fok en het grootzeil nog wind vangen. De snelheid van het schip zal nu zo klein worden dat je gemakkelijk kunt aanleggen. Bovendien kun je, indien nodig, de zeilen weer aantrekken en aan de wind verder varen.


3.11.2 Aanleggen aan hoger wal
Zo gemakkelijk als het hiervoor beschreven staat is aanleggen natuurlijk niet. Het is een hele kunt om precies op het punt op de wal waar je wilt zijn, aan te komen op een aandewindse koers. Een hulpmiddel om een bovenwinds punt te bezeilen is de dwarspeiling. Zie ook paragraaf 3.9. Je kunt nu vanuit een aandewindse koers, aan lij van (beneden) het punt waar je wilt zijn, zien en kijken of je aanlegplaats dwars is of niet. Als je dan op het juiste moment overstag gaat, kun je aan de wind op je plekje afvaren. Om goed aan teleggen is de precieze regeling van je snelheid ook erg belangrijk. Je moet zo aan de wind varen dat je de zeilen helemaal kunt laten klapperen. Toch moet je koers zodanig zijn, dat je door de zeilen aan te trekken weer vooruit kunt gaan. De ideale koers is aan de wind, dat wil zeggen ergens tussen hoog aan de wind en halve wind. Verder hangt het af van de windkracht, de golven en van het type schip wat precies de beste koers is voor het schip. Veel oefenen dus.

 

Opmerkingen:

  • Maak een aanlegmanoeuvre altijd zo lang dat je in ieder geval al je snelheid kwijt kunt raken voor je bij de wal bent.
  • Zorg er ook altijd voor dat je een landvast op het voordek klaar hebt liggen. Laat vooral niemand te vroeg naar voren gaan, want hij zal het uitzicht van de stuurman belemmeren, veel wind vangen en kan eraf vallen. Pas op het laatste moment laat je iemand afstappen (met de landvast in zijn handen) en afhouden.
  • Afhouden: op de wal springen voordat de boot bij de wal is en met een landvast in de hand tegen de voorstag aanleunen. Pas op met gladde steigers: dan op je knieën gaan zitten.
  • Nooit je handen of voeten tussen de wal en het schip houden.

 


3.11.3 Afvaren van hogerwal

Afvaren van hogerwal is niet zo moeilijk als je maar een paar dingen goed in de gaten houdt. 

  • Je mag nooit afaren als je andere schepen daarmee hindert. Wacht altijd tot de weg vrij is, dus goed uitkijken. 
  • Je kunt van de indewindse positie aan de wal twee kanten uitvaren. Meestal is er maar één gunstig en veilig: de kant waarover het schip de kleinste draai moet maken om weg te varen. Alleen als de wind recht van de wal af waait, maakt het geen verschil naar welke kant je gaat.

Er zijn drie grote nadelen aan het afvaren over de kant van de grootste draai:

  • Je moet een hele grote draai zien te maken: het duurt dus langer voor je weg vaart.
  • Je komt terecht op een koers (ruime wind) waarop het schip zal willen oploeven en dus weer naar de wal zal draaien. De kans is groot dat je volop de kant op vaart.
  • Die ruime-windse koers heeft meteen een grote snelheid tot gevolg, wat soms gevaarlijk kan zijn (bijvoorbeeld als er nog meer schepen aan de wal liggen); bovendien heb je dan nauwelijks tijd om op te stappen en de landvast mee te nemen.

Het is duidelijk dat je altijd de naar de kant van de kleinste draai moet afvaren.

Hoe zorg je er nu voor dat je schip de gewenste kant op draait?

Op de eerste plaats moet je het schip naar de goede kant afzetten. Dan kan er eigenlijk niets meer misgaan. Hoe hard je het schip moet afduwen hangt van de situatie af; soms zal het schip eerst een flink eind achteruit moeten varen, een andere keer zal een klein duwtje opzij meer dan genoeg zijn. Als het schip eenmaal los van de wal is, kun je het nog de goede kant op laten draaien door middel van het roer en de fok.

Vaak zal je de fok bak zetten om sneller te draaien. Zorg ervoor dat je van te voren goed weet aan welke kant! Ook kun je nog wat helpen met het roer. Omdat je gewend bent vooruit te varen, lijkt het nogal moeilijk om het roer te bedienen als je achteruit vaart. Zorg er op de eerste plaats voor dat je naar achter kijkt als je achteruit vaart. Dan is ook goed te zien hoe het achterschip die kant op gaat waarheen de helmstok wijst. Dit achteruit varen noemen we deinzen.

Houd de helmstok altijd goed vast zolang je deinst, ook op het ogenblik dat je weer vooruit wil gaan varen.

Tot slot: zoals je gezien hebt vaar je altijd af van een hogerwal met voldoende ruimte om de boot. Zorg ervoor dat je vrij aan de hogerwal komt te liggen, voordat je afvaar. Dit zal vaak betekenen dat je eerst je schip moet verhalen of een stukje zult moeten wrikken. Natuurlijk doe je dat met de zeilen nog gestreken!


3.12 Enig speciale technieken: afmeren en reven.

3.12.1 Afmeren
Het is erg belangrijk dat het schip niet hard met de wal in aanraking komt: het voorkomt deuken, verfslijtage e.d. Zorg er daarom altijd voor dat je de stootwillen klaar hebt hangen en ook dat je de landvasten op het dek hebt klaarliggen, voordat je aanlegt en afstapt. Afmeren moet altijd zo gebeuren dat het schip geen kant meer op kan. Daar heb je minstens drie lijnen voor nodig; soms zelfs vier.

Twee voorbeelden:

 
Het afmeren in een box. Het schip wordt in een box bij voorkeur door vier lijnen op zijn plaats gehouden. In de tekening zie je hoe dat gaat.

Het afmeren langs een walkant. Langs een walkant meer je minstens op drie lijnen af, waarvan je de lijn die van het voorschip naar achteren loopt, of de lijn die van het achterschip naar voren loopt (zie tekening) een spring noemt. Twee lijnen is altijd te weinig: het schip kan dan nog steeds 'schommelend' heen en weer waardoor onnodige slijtage optreedt. Het mooiste is om twee springen te gebruiken, hoewel dit niet altijd nodig is.

Denk er wel om, dat die slechts twee willekeurige voorbeelden zijn en dat er heel wat manieren bestaan om af te meren. Zorg ervoor dat je de juiste knopen op de juiste plaats legt (zie knopen). Laat geen lange einden op de wal liggen, dus: het liefst het begin van de lijn op de wal en het eind van de lijn op het schip.

Tot slot nog iets over het vast- en losmaken van de landvasten. De lijnen aan de loefzijde maak je het eerste vast, zodat het schip niet weg kan waaien. De lijnen aan de lijzijde maak je daarna vast en als laatste bevestig je de spring(en). Bij het losmaken van de landvasten begin je bij de spring(en), dan de lijnen aan de lijzijde en als laatste de lijnen aan loefzijde.


3.12.2 Reven met een bindrif
Reven is het zeil kleiner maken. Dat doe je als het te hard gaat waaien om nog veilig onder vol tuig te varen. Reef je niet, dan ga je heel schuin, je wordt erg nat, het schip is erg moeilijk te besturen, het tuigage slijt extra hard, enzovoort. Dus genoeg redenen om maar snel te reven. Voor een vlet gebeurt dit meestal bij windkracht 6, 7 of harder.

Het gaat heel simpel:

  • Zet de nieuwe halshoek vast, bijvoorbeeld aan de gewone halshoek. Dit kun je doen met een harpje.
  • Bevestig vervolgens met een paalsteek een lijntje (smeerreep) aan het nieuwe schoothoekkousje. Trek daarmee het zeil naar achteren strak op de giek. Zorg ervoor dat het kousje van de nieuwe schoothoek vast tegen de giek aan blijft zitten: haal de smeerreep een paar keer om de giek en door het kousje van de nieuwe schoothoek. Zet de smeerreep vast met twee halve steken, waarvan de eerste slippend.
  • Dan moet het overtollige zeil nog worden opgeborgen. Dit rol je naar binnen toe op en je bindt het vast met de reefknuttels. Doe hierin een platte knoop. Doe de reefknuttels niet te strak vast. Soms moet de onderste zeillat eruit gehaald worden als je een rif steekt. Dit verschilt per boot.

Reven doe je bij voorkeur met het zeil gestreken, maar het kan ook met het zeil omhoog. Gebruik wel voldoende lange en dikke lijntjes, vooral voor de smeerreep, dan kun je ze ook weer gemakkelijk losmaken. Sommige schepen zijn uitgerust met een kleine fok (zogenaamd stormfok). Die kun je gebruiken in plaats van de gewone fok als je het grootzeil gereefd hebt. Als je dan nog het gevoel hebt dat het te hard waait, kun je maar het beste de kant opzoeken en aan wal blijven. Beter tien schepen aan de kant dan één aan lager wal en/of omgeslagen.


3.12.3 Reven met een rolrif
Wanneer je grootzeil voorzien is van een hoefijzer, waaraan de grootschoot is bevestigd, kun je ook een rolrif toepassen. Dit gaat eenvoudig door de giek een paar keer te draaien, waarbij je zorgt dat het grootzeil netjes (zonder plooien) om de giek gerold wordt.
Denk ook hierom de zeillatten.

Het voordeel van een rolrif is dat je net zoveel zeil kunt reven als je zelf wilt. Bij een bindrif is dit afhankelijk van de kousjes en reefknuttels in het zeil.