| Zeilen in de praktijk | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.1 Het weer en zeilkleding
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Ook op het schip zelf zit een
voorwerp waaraan je kunt zien waar de wind vandaan komt: het vaantje.
Het vaantje is niets anders dan een klein vlaggetje met vooraan een
ijzerdraadje dat aanwijst waar de wind vandaan komt.
Alles bij elkaar kun je het beste in het begin goed proberen te voelen waar de wind vandaan komt en af en toe eens naar het vaantje kijken. Probeer alle methoden zoveel mogelijk te combineren en vaar niet alleen 'blind' op het vaantje. Houd er bovendien rekening mee dat het vaantje de schijnbare
wind laat zien, dus hij zal altijd meer naar voren wijzen door
je eigen snelheid. De echt wind komt altijd minder van voren! |
![]() |
Denk er aan dat als je langs bomen of bebouwing
vaart er 'valse' winden kunnen waaien. Dit zijn winden die een andere
richting opwaaien door die bebouwing of bomenrij dan de wind doet die
er over heen waait. Alleen op open water (of in de polder) heb je geen
valse winden (behalve als de wind zelf aan het draaien is).
We gaan nu eens bekijken welke richtingen je allemaal uit kunt zeilen
ten opzichte van de wind.
3.4.1 Met de wind mee
| De wind komt dan van achteren.
Ter vergelijking: als je op de fiets zit is het altijd prettig als
je de wind mee hebt. Zo is het ook met een zeilboot: met de wind mee
kom je gemakkelijk vooruit. Om zo snel mogelijk vooruit te komen, zul je met het zeil zoveel mogelijk wind moeten vangen. Als de wind van achter komt, gaat dat het beste als je het zeil helemaal naar buiten laat gaan. Zoals je in de tekening kunt zien, vangt het zeil zo erg veel wind (1 en 2), terwijl in de 3e tekening alle wind langs het zeil stroomt en de boot niet zo hard vooruit zal gaan. Zo moet het dus niet. Als de wind toch recht van achter komt, maakt het niet veel uit aan welke kant van de boot het zeil staat. Nog even de naam van het zeilen met de wind mee: dit heet voor de wind zeilen. |
![]() |
3.4.2 Recht tegen de wind in
| De wind komt dan recht van voren.
Als je tegen de wind in gaat, ga je precies de andere kant op dan
wanneer je met de wind mee gaat. Om weer even op die fiets terug te
komen: tegen de wind in fietsen valt niet mee. Met een boot is dat
nog veel erger: je kunt niet recht tegen de wind in zeilen. De boot
wordt dan door de wind achteruit geblazen en daar heb je niets aan. Als je toch probeert recht tegen de wind in te zeilen, zul je zien dat de zeilen boven de boot (en je hoofd) gaan staan klapperen. Ze klapperen dan als een vlag in de wind en de boot gaat niet vooruit. Toch blijven proberen heeft geen zin: het gaat echt niet. We noemen dit recht tegen de wind in liggen: in de wind. Deze positie is juist wel goed om de zeilen te hijsen of te strijken. |
![]() |
3.4.3 Met de wind schuin van achteren
We hebben al gezien dat je gemakkelijk met de wind mee kan varen. Als
de wind schuin van achteren komt, zul je ook nog wel gemakkelijk vooruit
gaan. Iets nieuws hierbij is dat de wind van schuin rechts (stuurboord)
en van schuin links (bakboord) achter kan komen. Het zeil staat dan altijd
aan die kant, waar de wind naar toe gaat. Om zo snel mogelijk vooruit
te komen, staat het zeil iets meer aangetrokken dan toen je voor de wind
voer. Varen met de wind schuin van achteren heet: ruime wind varen.
3.4.4 Met de wind van opzij
| Als de wind van opzij komt,
zou je kunnen verwachten dat de boot opzij gaat. Gelukkig zit er onder
de boot een midzwaard dat het 'opzij gaan' (of verlijeren) tegen houdt.
Ook stroomt de wind zo langs het zeil dat de boot toch vooruit gaat.
De wind kan natuurlijk van beide kanten van opzij komen: van bakboord
en van stuurboord.
Hoe strak moet je zeil nu staan? Je hebt gezien dat bij ruime wind het zeil iets strakker moest staan dan bij voor de wind. Als de wind van opzij komt, moet het zeil nog wat meer worden aangetrokken. Dit moet je zover doen, dat het voorste stuk van het zeil niet meer klappert of 'bolt'; dit klapperen noemen we killen. Als een zeil kilt zal de boot niet zo snel varen als het eigenlijk kan: dus altijd het zeil zo precies zo strak aan trekken dat het net niet kilt. Trek je het te strak aan, dan gebruik je de windkracht maar gedeeltelijk en vaar je ook niet zo snel als zou kunnen. |
![]() |
Het varen met de wind van opzij noemen we halve wind varen, zowel over
bakboord als over stuurboord.
3.4.5 Met de wind schuin van voren
| Het lijkt misschien helemaal
onmogelijk, maar het kan echt: je kunt schuin tegen de wind in varen!
Het is hier niet zo dat de boot door de wind naar achteren wordt geblazen.
Maar alweer dankzij het midzwaard en de goede vorm van de zeilen kunnen
we toch vooruit komen. Wel is het hierbij heel belangrijk dat het
zeil in de goede stand staat. Ook op deze koers mag het zeil niet
killen. Dat betekent in de praktijk dat je het zeil strak aangetrokken
moet hebben als je schuin tegen de wind in vaart. Zo varen heet aan
de wind varen. Ook dit kan zowel over bakboord als over stuurboord
gebeuren.
Even terug heb je gezien dat je niet recht tegen de wind in kunt varen. Schuin er tegen in (aan de wind) kan gelukkig wel. De grens tussen in de wind en aan de wind (de koers waarop je, als je goed oplet, nog net goed vooruit komt) heet hoog aan de wind. |
![]() |
Nog wat termen:
Je kunt dus ten opzichte van de wind alle kanten op varen, behalve in
de wind.
Je kunt als je voor de wind begint, een bocht maken totdat je in de wind
terecht komt, met het zeil steeds aan dezelfde kant! Je draait als het
ware naar de wind toe. Dit heet: oploeven.
|
In de tekening vaart het schip met het zeil aan stuurboord. Let op dat het zeil tijdens het oploeven steeds strakker komt te staan. Teken zelf eens een oploevend schip (vanaf voor de wind) met het zeil over bakboord.
|
3.5 Iets over de werking van de wind in zeilen: aërodynamica
|
Als je wilt gaan oploeven of afvallen, kun je de zeilen daarbij mooi een deel van het werk (draaien) laten doen. Als je het grootzeil loslaat, gebeurt er het volgende: alleen de fok vangt nog wind en de voorkant van de boot zal naar lij (van de wind af) geduwd worden: het schip gaat afvallen.
|
3.6 Algemene regels voor de zeilstand
We geven nu nog even enige algemene regels om de zeilstand te bepalen.
De zeilen moeten altijd zo los staan dat ze net niet killen. Als je ze
iets losser zet en ze gaan killen, dan stonden ze precies in de goede
stand. Alleen voor de wind geldt deze regel niet, want dan kan het zeil
helemaal niet killen.
Je moet er op bedacht zijn dat het zeil naar de andere kant kan gaan bij:
wanneer we de bocht om willen.
Als voorbeeld bekijken we even een schip dat een rondje om een eiland
vaart (zie de tekening).
|
In positie 1 staat het zeil over stuurboord; de
boot vaart aan de wind. Dan loeft hij op tot positie 2, recht
in de wind. Op deze koers kan hij natuurlijk niet blijven varen.
Daarom valt hij af tot in positie 3, aan de wind over bakboord.
De boot draait met de punt door de wind en vaart verder. Deze
manoeuvre (aan de wind, oploeven, in de wind, afvallen, aan de
wind) noemen we overstag gaan. Dit is één manier om het zeil aan
de andere kant van de boot te krijgen. |
3.7 Zeilstanden en oriëntatie ten opzichte van de wind
Zoals je in het voorafgaande gezien heb is het mogelijk om bijna alle
richtingen uit te varen. De wind legt slechts één beperking op: je kunt
er niet tegen in varen. Als je eenmaal bedacht hebt waar je naar toe wilt
varen en je ook goed hebt bekeken en gevoeld waar de wind vandaan komt,
dan kun je bepalen hoe je zeil zal moeten staan. Nu is het gemakkelijk
te zien of een gekozen koers met halve wind te varen is.
Voor sommige koersen is het niet zo gemakkelijk: zo is het bijvoorbeeld
moeilijk om, als je hoog aan de wind naar een bepaald doel toe moet, van
tevoren te zeggen of dat je inderdaad zal lukken zonder overstag te moeten
gaan. Ook voor de wind zal zich een grenssituatie voordoen: je moet juist
wel of net niet gijpen om ergens te komen. Om deze grensgevallen goed
te leren zien is het goed als je jezelf geregeld afvraagt naar welke punten
op de wal je nog net zou kunnen varen:
Nu praten we verder over zeilstanden. Om zo snel mogelijk ergens te komen,
is het belangrijk dat je zeil precies in de juiste stand staat. Op sommige
koersen (halve en ruime wind) is een niet geheel correcte zeilstand niet
zo heel erg.
De voordewindse koers is een juiste zeilvoering de volgende:
|
De koers waarop een goede zeilstand het belangrijkste is, is hoog
aan de wind. Hoog aan de wind is geen gestrekte koers zoals alle
andere koersen dat wel zijn. Bij hoog aan de wind vaar je nog schuiner
tegen de wind in dan bij aan de wind en je reageert continu op alle
windvlagen en winddraaiingen door op te loeven of af te vallen.
|
3.8 Overstag gaan
Overstag gaan is het volgende: oploeven van hoog aan de wind tot in de
wind en dan weer afvallen tot hoog aan de wind over de andere boeg. Het
eerste waar je op let is of je wel hoog aan de wind vaart. Dan kijk je
of je wel de bocht om kan: varen er bijvoorbeeld geen andere schepen in
de weg en is aan boord alles klaar om overstag te gaan? Als alles klaar
is, viert de fokkenist de fokkenschoot een stukje, waardoor de boot gaat
oploeven. De stuurman helpt met het roer om de boot te laten draaien.
De boot komt dan in de wind te liggen en draait langzaam door. Dat doordraaien
kan wat geholpen worden door de fok bak te trekken; dat gebeurt eigenlijk
vanzelf als je de schoot maar weinig viert.
Door de bakstaande fok wordt de punt van de boot door de wind geduwd.
Op het moment dat het achterlijk van het grootzeil weer wind begint te
vangen (kijk maar eens in de zeilen) gaat de fok naar de andere kant.
Daar wordt hij in eerste instantie niet helemaal strak aan getrokken.
Als je dat wel doet dan kan de boot te ver doordraaien naar halve wind,
waardoor je koersverlies krijgt.
Als de boot weer op snelheid is wordt de fok strak gezet. 'Fok bak' hoef
je eigenlijk alleen te gebruiken als je zonder roer niet overstag kan
komen; bijvoorbeeld bij:
Het is erg belangrijk dat je bij het overstag gaan de fok
goed kunt bedienen. Dit geldt vooral bij het opkruisen van een kanaal.
Een slecht bediend fok kan uren vertraging opleveren. De fok moet dan
zo bediend worden dat het schip zo gemakkelijk mogelijk door de wind draait
en zo weinig mogelijk snelheid of koers verliest.
De stuurman kan de overstagmanoeuvre het beste overzien en hij/zij geeft
daarom de commando's voor de fokkenist.
Tot slot nog het volgende: de fok moet zo min mogelijk klapperen om slijtage
te voorkomen (bovendien is het een onprettig geluid). Vier daarom op het
commando 'ree' de fokkenschoot niet te veel; 20 à 30 cm is genoeg.
Ook bij het 'fok over' commando kun je het klapperen van de fok verminderen,
door de ene fokkenschoot meteen een stuk aan te trekken, als je de andere
loslaat. Het bijkomende voordeel hiervan is dat de schoot niet zo gauw
blijft haken achter één van de kikkers.
Nog iets over de stuurman: met het roer helpt hij de boot aan het draaien
te brengen. Als de fok bak staat, weet hij zeker dat de boot zal doordraaien;
dan pakt hij de grootschoot en helstok in zijn andere hand en gaat verzitten
(de helmstok kan hij rustig even loslaten). Dan brengt hij de helmstok
langzaam naar het midden en zorgt dat het schip op de goede hoog aandewindse
koers komt. Belangrijk is dat tijdens de gehele manoeuvre het roer weinig
en voorzichtig gebruikt wordt (elke beweging vertraagt de gang van het
schip).

Hieronder vind je alle commando's nog eens in een schema terug (de nummers
in de tekst verwijzen naar de scheepjes in de tekening).
|
1. klaar om te wenden
2. ree
3. fok bak
4. fok over (of fok door)
5. fok aan
|
Natuurlijk ga je niet altijd op dezelfde manier overstag. Afhankelijk
van de omstandigheden zul je nu eens een snelle, korte bocht maken en
dan weer een langzame, lange bocht. Probeer het maar eens op verschillende
manieren en let op de verschillen in hoogtewinst en snelheidsverlies.
3.9 Het nut van overstag gaan, laveren en bovenwinds punt bezeilen
3.9.1 Laveren
| Zoals je al gezien hebt, kun
je niet recht tegen de wind in varen. Toch zal dat wel eens nodig
zijn, want veel kanalen en vaarten zijn zo gegraven dat ze in de wind
liggen... Gelukkig kun je wel aan de wind varen. Als je nu in een
indewinds kanaal hoog aan de wind vaart over de ene boeg, kom je tenslotte
bij de wal uit. Als je dan daar overstag gaat en over de andere boeg
hoog aan de wind verder gaat, kun je weer een stuk schuin tegen de
wind in, tot je weer bij de wal bent. Dit heet opkruisen of laveren. Om zo snel mogelijk door een indewinds kanaal te komen moeten we op een aantal dingen letten:
Als de wind precies in de lengterichting van het kanaal waait, lig de zaak eenvoudig: beide aandewindse slagen zijn dan even lang (zie het figuur). Anders wordt het als de wind schuin ten opzichte van het kanaal staat; dan krijg je een lange en een korte aandewindse slag (zie volgend figuur). Teken zelf hoe je in het rechtse kanaal moet opkruisen.
Als je namelijk geen snelheid meer hebt, werkt je roer niet meer
en dan kan het wel eens gebeuren dat je niet overstag komt. Dit
snelheid houden komt vooral neer op het niet te hoog aan de wind
varen! Even iets over de uitwijkregels als aan het kruisen bent: je hebt op niemand voorrang. Je moet voor bijna iedereen uitwijken als je aan het kruisen bent, behalve voor sommige andere kruisende schepen. Verderop staat hier meer over.
|
![]() |
3.9.2 Bovenwinds punt bezeilen
| Een bovenwinds
punt is een punt, waar we niet in één keer naar toe kunnen varen,
maar waarvoor we eerste één of meer keren overstag moeten gaan om
dat punt te bereiken. Als we overstag gaan, maken we een rechte hoek
ten opzichte van de voorgaande koers. We kunnen nu voorspellen, als
we tenminste hoog aan de wind varen, waar we terecht komen: we kijken
precies dwars uit het schip (een rechte hoek) naar de loefzijde en
zien dan het punt waar we hoog aan de wind over de andere boeg heen
kunnen zeilen. Samengevat: vaar hoog aan de wind, kijk dwars uit naar loef en bepaal het punt waar je uit zou komen als je overstag zou gaan. Ligt het punt waar je uit wilt komen voor de peilingslijn, dan moet je nog even doorvaren. Als het gewenste punt op, of liever nog wat achter die lijn lig (dat heet achterlijker dan dwars) kun je overstag gaan en erheen varen. Dit peilen noemen we een dwarspeiling maken. Opmerking: het hangt erg van het schip, windkracht, de afstand tot het punt en de golven af, wanneer je precies overstag kunt gaan om ergens te komen. Er is geen precieze regel te geven voor het bezeilen van een bovenwinds punt, tenminste niet een altijd precies geldende regel.
|
Een goede benadering is de volgende:
Doe je dat niet dan zal blijken dat de boot dusdanig verlijert dan je
onder het te bezeilen punt uitkomt.
Doe je het wel dan kom je in ieder geval dicht in de buurt uit.
3.10 Gijpen
De techniek van het gijpen gaat als volgt:
|
![]() |
Als het erg hard waait kan het erg lastig zijn om een goede veilige gijp
te maken. Immers het grootzeil komt dan met een reuze klap naar de andere
kant, er kan een rondhout breken, je kunt water scheppen, de kans dat
iemand iets tegen zijn hoofd krijgt is groter enz.
Je kunt het gijpen dan beter vermijden door over stag te gaan: de andere
manier om het zeil naar de andere kant van de boot te krijgen.
|
Je moet dan wel bijna een heel rondje varen, een zogenaamd stormrondje. Dat gaat als volgt:
Doe niet al die mensen na die een heel klein rondje maken, maar neem er de tijd en de ruimt voor: dat is rustiger en veiliger. Met een klein rondje zal de kans groot zijn dat je alsnog water schept etc.
|
3.11 Langzaam varen, aanleggen en afvaren
3.11.1 Langzaam varen
Om netjes en zachtjes aan de wal te kunnen komen, is het nodig dat je
weet hoe je de snelheid van de boot kunt regelen. Dat moet met het zeil
gebeuren, want er is geen rem. Het zeil moet, om de boot niet vooruit
te duwen, geen wind meer vangen, ofwel klapperen. Maar je moet ook weer
snelheid kunnen maken als je te langzaam vaart. Op welke koersen kun je
het zeil zover loslaten dat het geen wind meer vangt en toch weer vaart
maken zonder je koers te veranderen?
Eigenlijk alleen op een aandewindse koers kan het zeil los genoeg om geen
wind meer te vangen. Bovendien aanleggen doe je eigenlijk alleen aan de
loefzijde. In die gevallen zeil je altijd aan de wind. Als je wilt aanleggen
cq langzaam wilt varen begin dan met een aandewindse koers te zoeken.
Als je die gevonden hebt, kun je beide zeilen enigszins loslaten. Dat
wil zeggen: je viert de schoten zover op dat alleen het achterlijk van
de fok en het grootzeil nog wind vangen. De snelheid van het schip zal
nu zo klein worden dat je gemakkelijk kunt aanleggen. Bovendien kun je,
indien nodig, de zeilen weer aantrekken en aan de wind verder varen.
3.11.2 Aanleggen aan hoger wal
Zo gemakkelijk als het hiervoor beschreven staat is aanleggen natuurlijk
niet. Het is een hele kunt om precies op het punt op de wal waar je wilt
zijn, aan te komen op een aandewindse koers. Een hulpmiddel om een bovenwinds
punt te bezeilen is de dwarspeiling. Zie ook paragraaf 3.9. Je kunt nu
vanuit een aandewindse koers, aan lij van (beneden) het punt waar je wilt
zijn, zien en kijken of je aanlegplaats dwars is of niet. Als je dan op
het juiste moment overstag gaat, kun je aan de wind op je plekje afvaren.
Om goed aan teleggen is de precieze regeling van je snelheid ook erg belangrijk.
Je moet zo aan de wind varen dat je de zeilen helemaal kunt laten klapperen.
Toch moet je koers zodanig zijn, dat je door de zeilen aan te trekken
weer vooruit kunt gaan. De ideale koers is aan de wind, dat wil zeggen
ergens tussen hoog aan de wind en halve wind. Verder hangt het af van
de windkracht, de golven en van het type schip wat precies de beste koers
is voor het schip. Veel oefenen dus.

|
Opmerkingen:
|
3.11.3 Afvaren van hogerwal
|
Afvaren van hogerwal is niet zo moeilijk als je maar een paar dingen goed in de gaten houdt.
![]() |
Er zijn drie grote nadelen aan het afvaren over de kant van de grootste draai:
Het is duidelijk dat je altijd de naar de kant van de kleinste draai
moet afvaren.
Hoe zorg je er nu voor dat je schip de gewenste kant op draait?
| Op de eerste plaats moet je het schip naar de goede kant afzetten. Dan kan er eigenlijk niets meer misgaan. Hoe hard je het schip moet afduwen hangt van de situatie af; soms zal het schip eerst een flink eind achteruit moeten varen, een andere keer zal een klein duwtje opzij meer dan genoeg zijn. Als het schip eenmaal los van de wal is, kun je het nog de goede kant op laten draaien door middel van het roer en de fok. |
![]() |
Vaak zal je de fok bak zetten om sneller te draaien. Zorg ervoor dat
je van te voren goed weet aan welke kant! Ook kun je nog wat helpen met
het roer. Omdat je gewend bent vooruit te varen, lijkt het nogal moeilijk
om het roer te bedienen als je achteruit vaart. Zorg er op de eerste plaats
voor dat je naar achter kijkt als je achteruit vaart. Dan is ook goed
te zien hoe het achterschip die kant op gaat waarheen de helmstok wijst.
Dit achteruit varen noemen we deinzen.
Houd de helmstok altijd goed vast zolang je deinst, ook op het ogenblik
dat je weer vooruit wil gaan varen.
Tot slot: zoals je gezien hebt vaar je altijd af van een hogerwal met
voldoende ruimte om de boot. Zorg ervoor dat je vrij aan de hogerwal komt
te liggen, voordat je afvaar. Dit zal vaak betekenen dat je eerst je schip
moet verhalen of een stukje zult moeten wrikken. Natuurlijk doe je dat
met de zeilen nog gestreken!
3.12 Enig speciale technieken: afmeren en reven.
3.12.1 Afmeren
Het is erg belangrijk dat het schip niet hard met de wal in aanraking
komt: het voorkomt deuken, verfslijtage e.d. Zorg er daarom altijd voor
dat je de stootwillen klaar hebt hangen en ook dat je de landvasten op
het dek hebt klaarliggen, voordat je aanlegt en afstapt. Afmeren moet
altijd zo gebeuren dat het schip geen kant meer op kan. Daar heb je minstens
drie lijnen voor nodig; soms zelfs vier.
Twee voorbeelden:
| Het afmeren in een box. Het schip wordt in
een box bij voorkeur door vier lijnen op zijn plaats gehouden. In
de tekening zie je hoe dat gaat. |
![]() |
Het afmeren langs een walkant. Langs een walkant meer je minstens op drie lijnen af, waarvan je de lijn die van het voorschip naar achteren loopt, of de lijn die van het achterschip naar voren loopt (zie tekening) een spring noemt. Twee lijnen is altijd te weinig: het schip kan dan nog steeds 'schommelend' heen en weer waardoor onnodige slijtage optreedt. Het mooiste is om twee springen te gebruiken, hoewel dit niet altijd nodig is. |
![]() |
Denk er wel om, dat die slechts twee willekeurige voorbeelden zijn en
dat er heel wat manieren bestaan om af te meren. Zorg ervoor dat je de
juiste knopen op de juiste plaats legt (zie knopen). Laat geen lange einden
op de wal liggen, dus: het liefst het begin van de lijn op de wal en het
eind van de lijn op het schip.
Tot slot nog iets over het vast- en losmaken van de landvasten. De lijnen
aan de loefzijde maak je het eerste vast, zodat het schip niet weg kan
waaien. De lijnen aan de lijzijde maak je daarna vast en als laatste bevestig
je de spring(en). Bij het losmaken van de landvasten begin je bij de spring(en),
dan de lijnen aan de lijzijde en als laatste de lijnen aan loefzijde.
3.12.2 Reven met een bindrif
Reven is het zeil kleiner maken. Dat doe je als het te hard gaat waaien
om nog veilig onder vol tuig te varen. Reef je niet, dan ga je heel schuin,
je wordt erg nat, het schip is erg moeilijk te besturen, het tuigage slijt
extra hard, enzovoort. Dus genoeg redenen om maar snel te reven. Voor
een vlet gebeurt dit meestal bij windkracht 6, 7 of harder.
Het gaat heel simpel:
Reven doe je bij voorkeur met het zeil gestreken, maar het kan ook met
het zeil omhoog. Gebruik wel voldoende lange en dikke lijntjes, vooral
voor de smeerreep, dan kun je ze ook weer gemakkelijk losmaken. Sommige
schepen zijn uitgerust met een kleine fok (zogenaamd stormfok). Die kun
je gebruiken in plaats van de gewone fok als je het grootzeil gereefd
hebt. Als je dan nog het gevoel hebt dat het te hard waait, kun je maar
het beste de kant opzoeken en aan wal blijven. Beter tien schepen aan
de kant dan één aan lager wal en/of omgeslagen.
3.12.3 Reven met een rolrif
Wanneer je grootzeil voorzien is van een hoefijzer, waaraan de grootschoot
is bevestigd, kun je ook een rolrif toepassen. Dit gaat eenvoudig door
de giek een paar keer te draaien, waarbij je zorgt dat het grootzeil netjes
(zonder plooien) om de giek gerold wordt.
Denk ook hierom de zeillatten.
Het voordeel van een rolrif is dat je net zoveel zeil kunt reven als je zelf wilt. Bij een bindrif is dit afhankelijk van de kousjes en reefknuttels in het zeil.